De PMI-paradox: productie-indices op hoogste peil in vier jaar, maar de fabrieksvloer verliest personeel
Vandaag om 16:00 uur Nederlandse tijd publiceert het Institute for Supply Management zijn Manufacturing PMI voor juni. De vorige meting stond op 54,0 — het hoogste punt in vier jaar. Toch vertelt het interne scorekaart een ander verhaal dan de headline doet vermoeden. En morgen volgt het banenrapport voor juni, dat de andere helft van het plaatje invult.
De S&P Global Manufacturing PMI voor juni noteerde 55,7 — nog hoger dan het ISM-cijfer van mei en eveneens het sterkste niveau in vier jaar. Beide metingen wijzen op een duidelijke expansie in de Amerikaanse productiesector. Zulke getallen worden doorgaans gelezen als een bevestiging dat de economie goed standhoud. Maar wie de onderliggende subindexen bestudeert, stuit op een opvallende dissonantie: de werkgelegenheidscomponent daalde in juni met de sterkste snelheid sinds mei 2020 — midden in de lockdowns. Fabrieken produceren meer, maar zetten er minder mensen voor in.
Eén verklaring voor dit patroon schuilt in de voorraadbeheer-dynamiek rond het aanhoudende conflict in het Midden-Oosten. Klanten van productiebedrijven stapelen voorraden op als voorzorgsmaatregel tegen mogelijke verstoringen van grondstoffenleveringen en transportroutes. Dat drukt de nieuwe ordercomponent van de PMI kunstmatig omhoog, zonder dat er sprake is van structureel hogere eindvraag. De implicatie is dat het huidige PMI-niveau deels een tijdelijk veiligheidsbuffer weerspiegelt, geen organische vraagversnelling. Zodra die buffer is gevuld, verdwijnt de tailwind.
De combinatie van recordhoge PMI én scherp dalende fabriekswijkgelegenheid is geen gewone conjunctuurcyclus. Het is een signaal dat de maatstaf vertroebeld wordt door geopolitieke voorzorgsmaatregelen — en dat de echte vraagdynamiek een stuk genuanceerder is.
De bredere economische context maakt het beeld nog complexer. De arbeidsmarkt oogt in totaal gezond: in mei kwamen er 172.000 banen bij buiten de landbouwsector en de werkloosheid hield stand op 4,3 procent. De vacaturegraad bedraagt gemiddeld 7,1 miljoen per maand, en de participatiegraad van werknemers in de kernleeftijd (25–54 jaar) steeg naar 83,9 procent — hoger dan vóór de pandemie. Maar achter dat sterke arbeidsmarktprofiel schuilt groeiende druk op de consument. De reële beschikbare inkomens dalen, de inflatie blijft knagen en de energierekening is door de geopolitieke spanningen weer opgelopen. Consumentenbestedingen tonen toenemende vermoeidheid, wat zichtbaar is in de zwakkere detailhandelsverkopen gecorrigeerd voor inflatie.
De energiesector profiteert juist van die geopolitieke spanning. ExxonMobil (XOM) is 's werelds grootste beursgenoteerde olie- en gasmaatschappij, actief in exploratie, productie, raffinage en chemicaliën op zes continenten. Het bedrijf verkoopt brandstof en petrochemische producten aan zowel consumenten als industriële afnemers. ExxonMobil noteert momenteel op $136,72 met een dividendrendement van 3,04% — aantrekkelijk voor inkomensgerichte beleggers in een periode van verhoogde onzekerheid. Maar de fundamenten zijn ambivalent: de winst per aandeel daalde afgelopen jaar met 21,6 procent en de omzet kromp met 4,1 procent. De premiumwaardering (koers-winstverhouding van 22,4x, relatief hoog voor een geïntegreerde oliereus) is nagenoeg volledig gedreven door verwachtingen dat hogere olieprijzen de resultaten voor Q2 2026 aanzienlijk zullen optillen — analisten schatten een WPA van $3,74 voor het lopende kwartaal, tegenover $1,16 in Q1.
Aan de andere kant van het macro-spectrum staat een indicator die minder intuïtief is maar veel zegt over hoe de markt de industriële conjunctuur leest: Caterpillar (CAT), de fabrikant van bouwmachines, mijnbouwapparatuur en dieselmotoren voor zwaar industrieel gebruik. Het bedrijf geldt als een van de meest betrouwbare barometers voor mondiale infrastructuurvraag en industrieel capex. Het aandeel noteert op $1.064,90 — vrijwel op zijn 52-weeks hoogtepunt van $1.073,46. Dat geeft te denken. De koers-winstverhouding bedraagt inmiddels 52 keer, terwijl de winst per aandeel het afgelopen jaar marginaal daalde (-2,1%). De markt betaalt dus een uitgesproken groeipremie voor een bedrijf dat vooralsnog weinig winstgroei laat zien, maar profiteert van de verwachte golf aan herindustrialisering, infrastructuurinvesteringen en reshoring van productiecapaciteit naar de VS.
De wisselwerking tussen XOM en CAT illustreert precies de spanning die de macro-situatie kenmerkt: de energiesector vaart welwillend op geopolitieke prijsstutten, maar de industriële sector prijst al een structurele heropleving in die de huidige winstverdiensten nog niet rechtvaardigen. Welke van de twee lezingen klopt, zal de komende kwartalen blijken.
Vandaags ISM-cijfer is de eerste van twee cruciale toetsen. Morgen, donderdag 2 juli, volgt het officiële Employment Situation Report van het Bureau of Labor Statistics voor de maand juni. Als die meting de zwakte in de fabrieksarbeidsmarkt bevestigt — en mogelijk ook elders laat doorsijpelen — krijgt de Fed opnieuw tegenstrijdige input: een sterk headline PMI aan de ene kant, een verslechterende arbeidsmarkt aan de andere. De markt zal die combinatie nauwlettend doorrekenen op haar verwachtingen voor het rentepad in de tweede jaarhelft.
Vergelijk ExxonMobil en Caterpillar naast elkaar op KoersRadar en bekijk actuele koersen, consensus-schattingen en fundamentele data.
Vergelijk XOM en CAT op KoersRadarDe informatie in dit artikel is uitsluitend bedoeld ter informatie. De genoemde koersen en cijfers kunnen inmiddels zijn gewijzigd. Dit is geen beleggingsadvies.