ECB-loonindicator klimt naar 2,6% — waarom dit geen nieuw argument is voor een renteverhoging in december

De ECB-loonindicator (wage tracker), de maatstaf waarmee de centrale bank de onderhandelde looneisen in de eurozone volgt, klom voor 2026 naar 2,6% — tegen nog maar 1,8% in het eerste kwartaal van het jaar. Op het eerste gezicht een signaal dat de loondruk weer aantrekt, precies wat een centrale bank die net op 10 september de rente verhoogde naar 2,50% niet wil zien. Maar de ECB zelf zet daar in haar eigen toelichting meteen een kanttekening bij: de stijging is grotendeels een statistisch effect, geen teken van nieuwe looneisen.
In het kort
- ECB-loonindicator (met ongecorrigeerde eenmalige uitkeringen) steeg van 1,8% in Q1 naar 2,6% in Q3/Q4 2026, en loopt door naar 2,7% in Q1 2027.
- ECB: de stijging komt vooral doordat het neerwaartse effect van grote eenmalige uitkeringen in 2024 — die in 2025 niet terugkeerden — nu uit de vergelijkingsbasis wegvalt.
- De onderliggende, onderhandelde looneisen noemt de ECB zelf "stabiel", niet versnellend.
- Dat ondermijnt het argument voor JPMorgans afwijkende voorspelling van een derde ECB-renteverhoging in december naar 2,75%.
Wat is de ECB-loonindicator en waarom kijkt de centrale bank er zo nauwkeurig naar?
De loonindicator is opgebouwd uit onderhandelde cao-lonen in de grootste eurolanden — Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Nederland, België, Oostenrijk en Finland — en geldt als een van de meest directe graadmeters voor de vraag of hogere prijzen zich vertalen in blijvend hogere looneisen. Dat onderscheid is voor de ECB cruciaal: een tijdelijke prijsschok, zoals de huidige energie-inflatie door het conflict in het Midden-Oosten, ebt vanzelf weg zodra de olieprijs stabiliseert, maar een loon-prijsspiraal — waarbij werknemers hogere lonen eisen om de gestegen kosten van levensonderhoud te compenseren, wat bedrijven weer doorberekenen in hun prijzen — kan zichzelf jarenlang in stand houden. Precies om die spiraal te kunnen signaleren volgt de ECB deze indicator naast de bredere inflatiecijfers.
De sprong van 1,8% naar 2,6% binnen één jaar oogt fors, maar de ECB wijst zelf op de oorzaak: in 2024 kregen werknemers in meerdere landen grote eenmalige uitkeringen — vaak bedoeld als compensatie voor de hoge inflatie van 2022-2023 — die in 2025 niet meer werden uitgekeerd. Doordat die eenmalige betalingen wegvielen, daalde de gemeten loongroei in 2025 mechanisch, en nu dat lage vergelijkingscijfer uit de jaar-op-jaarberekening verdwijnt, springt de indicator voor 2026 automatisch omhoog — zonder dat er onderliggend iets is veranderd aan wat werknemers daadwerkelijk aan structurele loonsverhoging bedingen.
Betekent dit dat de ECB in december alsnog de rente verhoogt?
JPMorgan voorspelde eerder deze maand, tegen de marktconsensus in, een derde ECB-renteverhoging in december naar 2,75% — een scenario dat vooral steun zou vinden in aanhoudende looninflatie. De eigen uitleg van de ECB bij haar loonindicator werkt in de praktijk tegen dat scenario: als de centrale bank zelf een duidelijke, technische verklaring geeft voor de stijgende cijfers en de onderliggende looneisen "stabiel" noemt, wordt het lastiger om diezelfde cijfers aan te voeren als bewijs voor aanhoudende inflatiedruk vanuit de arbeidsmarkt. Dat neemt niet weg dat Lagarde na de renteverhoging van 10 september geen garantie gaf dat dit de laatste stap in de cyclus was — maar het argument daarvoor moet van elders komen dan van deze loonindicator.
Voor arbeidsintensieve sectoren zoals detailhandel, industrie en logistiek blijft de looncomponent desondanks een reële kostenpost, los van hoe de ECB het cijfer interpreteert: bedrijven betalen de hogere salarissen sowieso uit, wat op de marges drukt zolang ze die kosten niet volledig kunnen doorberekenen. Voor de financiële markten is het effect eerder indirect. Banken zoals ING profiteren doorgaans van een langer hoge rente via een betere rentemarge, terwijl rentegevoelige sectoren met veel toekomstige kasstromen — vastgoed, dure groeiaandelen — juist gebaat zijn bij elk signaal dat de ECB dichter bij het einde van haar hikecyclus zit.
De ECB-loonindicator (wage tracker) is een kwartaalcijfer dat de ECB sinds 2021 zelf publiceert, samengesteld uit data van nationale statistiekbureaus en centrale banken in de grootste eurolanden.
Voor Nederlandse beleggers is vooral relevant dat de cao-onderhandelingen hier, net als in Duitsland en Frankrijk, meetellen in deze indicator — een eventuele versnelling van de Nederlandse cao-lonen zou dus rechtstreeks in een volgende meting terug te zien zijn.
Visie en vooruitzichten: het is een terugkerend patroon dat losse macrocijfers eerst alarmerend ogen en na uitleg vooral technisch blijken te zijn — maar dat ontslaat beleggers niet van de plicht om de volgende publicatie, begin 2027, extra kritisch te lezen. Blijft de indicator na het wegvallen van het 2024-effect stabiel rond de 2,6-2,7%, dan bevestigt dat het ECB-verhaal van een normaliserende arbeidsmarkt. Klimt hij daarentegen verder door richting 3%, dan wordt het onderscheid tussen "statistisch effect" en "nieuwe looneisen" ineens veel lastiger vol te houden, en krijgt het scenario van een decemberverhoging alsnog wind in de zeilen. Tot die volgende meting blijft het huidige verhaal onvoldoende basis voor een nieuwe hike, en ligt de bewijslast eerder bij de energieprijzen en de geopolitieke situatie dan bij de arbeidsmarkt.
Volg de ECB, de eurozone-rente en de Europese beurzen live op KoersRadar.
Naar de Europese marktLiever een seintje bij nieuwe analyses? Schrijf u in voor de nieuwsbrief →
Onderdeel van ons dossier Macro & rente →
De informatie in dit artikel is uitsluitend bedoeld ter informatie. De genoemde koersen en cijfers kunnen inmiddels zijn gewijzigd. Dit is geen beleggingsadvies.